HOERA,

IK BEN MISBRUIKT!

 

 

EN…….

 

HEEFT HET JE GERAAKT?

 

 

 

 

                                                           Copyright © 2002:    Martine Rademaker                                                                                              

 

                                                                                                                                            
                                                           Alle rechten uitdrukkelijk voorbehouden
                                                                                                                     

 

 

 

 

 

                                                                                                                                

 

 

 

 

 

 

Waarschuwing

Deze tekst is gebaseerd op feiten.
Daardoor is het mogelijk dat iemand zichzelf
of anderen herkent.
Indien dat het geval is,
lees dan deze tekst net zolang
totdat je moed hebt.
En doe wat!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer van hetzelfde.

 

Alweer kindermisbruik? Weer tekst? Weer een toevoeging? Alwéér! We weten het nu toch wel? Was dat maar zo.
Was het maar zo dat iedereen alles voelt en weet over kindermisbruik. Dan zouden er niet alwéér zoveel aanmeldingen zijn bij vertrouwensartsen; niet alwéér koppen in de krant staan over vermoorde baby’s en peuters; niet alwéér een eindeloze wachtlijst bij psychotherapeuten, psychiaters en maatschappelijk werkers.
Ja, alweer informatie over kindermisbruik. Er valt zoveel over te lezen, er is zoveel over te doen en het blijft om de één of andere reden ongrijpbaar. Waarom? Raakt het mensen niet genoeg? Gelooft men nog steeds dat het in die andere straat, die andere stad gebeurt en niet ergens in je directe omgeving?
Of raakt het juist zo hard dat we het snel weer wegstoppen? Is het te herkenbaar? Komt het dichtbij? Maakt het grenzen onduidelijk? Is het bedreigend te kunnen worden aangesproken op je verantwoording voor wat je doet of voor wat je laat?

Wat is de reden dat het zo ongrijpbaar is? Wie maakt het zo ongrijpbaar?
Pijn is heel voelbaar. Of je het nu een ander aandoet of dat het je overkomt. Je weet het. Je voelt het. Pijn aandoen is misbruik als het niet benoemd mag worden in het openbaar. Zowel de misbruikte als de misbruiker benoemen niets. De misbruikte uit angst voor de reactie van de misbruiker.  De misbruiker uit angst voor de reactie van zijn omgeving. Waaruit je zou kunnen concluderen dat hier een doodlopende weg is bereikt. We kunnen er niks mee, klaar is kees. Het is niet meer aan ons als medeburger.
Is dat zo? Zelfs niet als we misbruik menen te vermoeden? Te voelen?
Uit angst voor wat? Uit angst om ernaast te zitten? Uit angst het leven van de misbruikte nog erger te maken? Uit angst dat privacy wordt aangetast? Uit angst voor woede? Uit angst misschien ook je eigen gedrag tegen het licht te moeten houden?

Misbruikte kinderen maken 24 zware uren in een dag mee. Misbruikte kinderen geven signalen af. Misbruikte kinderen kunnen al de bovenstaande afwegingen niet maken. Misbruikte kinderen hebben geen keuze. Hoe kan je opstaan tegen degene die je zou moeten voeden, je zou moeten koesteren? Serieuze overlevingsdrift en angst, dat vult je dag. Je ervaring met volwassenen is niet één vol vertrouwen. Vooral niet als, naast je ellende thuis, de volwassenen elders doen of ze niets zien. Niet reageren. Dan kan het toch alleen maar aan jezelf liggen? Van volwassenen die wel reageren, wordt soms de ellende alleen maar groter. Omdat ze niet luisteren naar wat jouw behoeften en belangen zijn. Zij gaan uit van hun eigen wereld. Een volslagen andere belevingswereld dan de jouwe.

Maar wat dan wel? Wat moeten we dan met misbruik?
Misbruik durven benaderen gaat over pijn, over voelen, over luisteren, over eigenwaarde. Misschien zelfs je eigen onmacht erkennen. Het gaat over beschikbaar zijn, begrip hebben. Zonder oordelen. Meevoelen. Menselijkheid. Ook de schaduwkanten van menselijkheid. Bestaansrecht. Geraakt durven worden. Door misbruikte kinderen. Als buur. Als arts. Als leraar. Als familie. Als therapeut. Als medeburger tegenover deze kleine wereldburgers.
Als je geraakt durft te worden door wat deze kinderen meemaken, ontdek je dat hun eerste behoeften misschien hele andere waren, dan die wij als volwassenen met onze goede bedoelingen in eerste instantie zouden verzinnen. We zouden iets van ze kunnen leren. Mits we onze pretenties over goed en slecht terzijde zouden durven schuiven. De verkeerde hulp zal worden blijven verleend, alles zal even ongrijpbaar blijven als we ons niet het volgende afvragen. Wat drijft ons, dat we niet onder ogen durven zien dat we doodsbang zijn voor deze kinderen? Doodsbang voor wat ze te vertellen hebben. Doodsbang, te moeten aanhoren wat hen is overkomen. Misschien is de eigenlijke, onderliggende vraag die we ons zouden moeten stellen wel:

 

HOERA WIJ ZIJN MISBRUIKT

EN…

HEEFT HET ONS GERAAKT?

 

Zijn we misschien zelf intussen verstikt geraakt, door de manier waarop er met onze emoties werd omgesprongen? Hebben we ooit het verdringen van deze emoties overleeft en moet de ander het daarom nu ook maar leren? Proberen we zo te voorkomen dat onze wereld teveel op zijn kop gezet zal worden? Zijn we bang om geraakt te worden, omdat we dan over onze eigen emoties moeten nadenken? Erger nog: ‘ze weer voelen’?
Ja, angsten verbergen zich tot je hopeloos alleen bent. Helemaal waar! Ja, angsten voelen alsof je eraan dood zal gaan. Er is echter één heel groot verschil tussen volwassenen en kinderen. Als volwassene heb je de keuze, de tijd en de kracht om je angsten te verwerken want je bent niet meer aan het overleven. Als volwassene ga je aan het voelen van je angsten niet zo snel dood. Als kind wel!

Onze verdrongen angsten die al ons ‘niets doen’ zouden verklaren.
Onze verontschuldiging. Ons excuus.
We houden zelf alles zo ongrijpbaar.
Onze angsten om niets te doen…

 

 

 

 

 

Hoe hard mag je een kind slaan?

 

Vol verwondering trof mij deze aanhef boven een krantenartikel: hoe hard mag je een kind slaan? Mijn hersenen creëerden direct beelden van inspecteurs met decibelmetertjes. Waanzin, volledige waanzin. De discussie alleen al. De serieuze tijd die gestoken wordt in dit soort vragen. Hoe wil je de kracht van de klap meten? Op welke wijze wil je dat op papier vastleggen? En vooral: wie gaat dan bepalen hoe hard? Wij? Als die zogenaamde gezonde volwassenen?

Het overwegen van deze vraag, het willen vastleggen in regelgeving, zegt alles over onze onkunde met betrekking tot misbruik.
‘Als we het nou bepalen en vastleggen, hebben we in elk geval een handvat, een richting.’
Waarvoor? Wie gaat dit controleren en uitvoeren? Zou het werkelijk zo zijn dat we door zo’n regeltje opeens wel weten waar we misbruikte kinderen kunnen vinden? Dat we dan opeens wel weten waar we moeten kijken? Dat we dan  opeens wel actie zouden ondernemen?
Het idee dat de misbruiker zich hierdoor bedreigd zal voelen is gewoon onzin. Zo’n regel valt niet te meten binnen een situatie waar van misbruik sprake is. De misbruiker gaat met dezelfde voortvarendheid door. Waarschijnlijk zelfs in heviger mate en uitgekookter want er staan altijd vormen van misbruik niet beschreven in die regelgeving. Die mogen wel! Waarmee het misbruikte kind er dus echt op vooruit gaat, dankzij onze regelgeving. Regelgeving in een werkelijkheid waar we geen idee van hebben.

De vraag, hoe hard je een kind mag slaan, gaat weer volledig voorbij aan de kinderwereld van misbruik. Onze wereld is misschien in zulke regels te vatten, maar in hun wereld raakt het kant nog wal. Is dit de hulp waar ze op wachten?
Zo’n regelgeving discrimineert altijd. Want wie bepaalt wat pijn doet? Wie durft zo almachtig te zijn om voor een ander te bepalen waar de pijngrens ligt? Gaat dan een meisje dat met een paardenzweepje geslagen wordt door haar moeder, binnen deze regelgeving vallen? Omdat er waarschijnlijk zichtbaar letsel is? En dat jongetje dan, dat door zijn vader dagelijks psychische slagen incasseert in de vorm van denigrerende opmerkingen? Een dagelijks 24-urig bombardement van zijn vader, dat hij er niet toe doet; dat hij alles verkeerd doet; dat hij eigenlijk wat zijn vader betreft niet had hoeven bestaan? Deze jongen zal buiten de boot vallen, want deze klappen zijn niet meetbaar. En hoe zit het met dat jongetje dat, altijd als hij ergens naar wilt kijken, door zijn pa aan zijn armpje gerukt wordt om door te lopen? Zo’n ruk dat je bijna een schouderluxatie oploopt omdat je pa het geduld niet kan opbrengen om even te wachten? Valt die jongen ook in de regelgeving of noemen we dit opvoeding? Wat betekent nu eigenlijk de zogeheten ‘opvoedende tik’? Is er ergens in een wettelijk besluit iets vastgelegd met betrekking tot de inhoud van het begrip opvoeding?

Is al deze regelgeving nu werkelijk het doel om je op te richten? Levert dit de oplossing met betrekking tot misbruikte kinderen? Is deze ijver om je bezig te houden met zulke regels, niet weer een verwoede poging om alles vooral verre van jezelf te houden? Is het niet weer een oneindige kronkelweg die zich vooral beweegt om het probleem heen, in plaats van erin? Het antwoord op de vraag hoe hard je een kind mag slaan, zou heel simpel moeten zijn: ‘Net zo hard als het kind jou ook terug mag slaan’. En vooral: ‘vanuit dezelfde beweegredenen, vanuit dezelfde motivatie als van waaruit jij het kind sloeg’. Dat dekt de lading. Want een misbruiker heeft vaak geen reden of motivatie. Een kind zou met hetzelfde recht en dezelfde heftigheid terug moeten mogen slaan. Pas als dat zou gebeuren en de goedkeuring zou wegdragen van omstanders, pas dan wordt de misbruiker gestraft. Dan krijgt hij/zij zijn klappen terug en dat geeft misschien meer reden tot verandering dan welke regelgeving ook. Het vervelende is dat een misbruikt kind zo goed weet wat pijn is. Op het moment dat het kind gaat slaan is de bom gebarsten. Dan is de onmacht totaal. De knoppen zijn dan doorgeslagen. Helaas wordt het kind hiervoor vaak weer afgestraft. Vooral als ze hulp vragen van buiten. Want: slaan, dat doe je niet. Dat is de zalvende boodschap die ze terug krijgen. Alsof ze dat niet weten: slaan doe je niet. Ze hebben er dagelijks mee te maken. Ze slaan uit onmacht.
Daar gaan we met onze goedbedoelde regelgeving de mist in. Hoe hard mag je een kind slaan? Slaan is onmacht. Hoe vaak voel je je niet onmachtig, tot het uiterste gedreven als ouder, als er zo’n afgrijselijk driftige peuter van ongeveer een meter, het bloed onder je nagels vandaan weet te halen? Wie helpt je op dat moment om je opkomende driftbui te beteugelen? Wie bepaald er voor jou of je op dat moment een klap mag uitdelen of niet? Dat zouden namelijk de gevolgen zijn van een regelgeving met betrekking tot de vraag hoe hard je en kind mag slaan.

Daarom kan het enige ware antwoord, als er zo nodig een antwoord moet komen, echt alleen maar zijn: ‘zo hard als het kind jou terug kan en mag slaan, vanuit dezelfde beweegredenen als je zelf had’. Vanuit welke angst, vanuit welke onmacht je ook sloeg, je krijgt deze angst en onmacht dan gewoon keurig terug. Waar het hoort.
Is het zo moeilijk een kind te helpen zich te ontwikkelen, in plaats van het op te zadelen met jouw angsten en onmacht. Durf zelf schuldig te zijn als je geslagen hebt. Maak ook duidelijk waar het kind zich schuldig aan maakt. Dan is het benoembaar en openbaar.

‘Je krijgt wat je geeft’.
Zó hard mag je een kind slaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Je eigen lijk oprichten.

 

Waarom heb ik het over onze angsten en niet, meer specifiek, over de samenstelling binnen een gezin waar misbruikt wordt? Waarom de uitspraak: hoera, wij zijn misbruikt en… heeft het ons geraakt? Waarom die weerstand tegen regelgeving?

Om dit uit te kunnen leggen, moeten we het er eerst over eens worden of misbruik van kinderen een ongrijpbaar fenomeen is. Als we de krantenberichten volgen denk ik dat deze aanname te maken is. Anders hadden we die dode peuters en baby’s wel voorkomen. Geen weldenkend mens laat dit toe. Dus kindermisbruik is voor ons een nogal ongrijpbaar fenomeen. We kunnen het niet voorkomen om de een of andere reden.

Doen we dan niets? Houdt het ons niet bezig? Er is absoluut een deel van de samenleving die het bezighoudt. Die probeert uit te vinden hoe het minder ongrijpbaar wordt. Er is ook een deel van de samenleving die het laat voor wat het is. Beiden uit dezelfde belevingswereld. Ik heb het hier met nadruk over belevingswerelden. De belevingswereld van een gezin dat midden in een vorm van misbruik zit, is definitief een andere belevingswereld dan die van de geaccepteerde samenleving. Het gaat hier over twee totaal verschillende werkelijkheden. Beide onkundig van elkaar in de zin van: hoe iets werkt binnen die werkelijkheid, hoe iets kan uitpakken, wat de gevolgen zijn. Echte onkunde. Dit is de situatie zoals hij vandaag de dag is. Ondanks alle verhalen van misbruikte, volwassen geworden kinderen. Ondanks alles wat we van ze horen. We kunnen het maar niet grijpbaar krijgen.

De clou van deze bovenstaande verhandeling is het volgende: we hebben zelf dit onderscheid aangebracht in deze werkelijkheden. We hebben zelf ons zicht plat en oppervlakkig gemaakt. Wie proberen we nou eigenlijk te belazeren?
Ja, als kind moet je overleven en verdring je alles wat doodspijnen oplevert. Ja, natuurlijk doe je er als volwassene alles aan om in elk geval niet dezelfde kwetsende dingen uit te halen als jouw ouders met jou deden. Ja, natuurlijk is het bewonderenswaardig dat de menselijke natuur zo in elkaar steekt dat je alles op alles zet om als een volwaardige volwassene uit de strijd te komen. Ja, natuurlijk is het knap als je op moed en wilskracht toch een onafhankelijk bestaan weet op te bouwen. Natuurlijk moet je daar trots op zijn. Je hebt dan de ooit aan jezelf gedane belofte waargemaakt: ook jij hebt recht op een menswaardig bestaan. Iedereen kent dit gevecht vol vernederingen en pijn van ‘ooit’. Het is alleen jammer genoeg een geaccepteerd fenomeen geworden dat elk kind zich hierin maar zelf moet redden. Op dezelfde manier als wij dat deden in een ver verleden. We hebben de boodschap van vroeger geaccepteerd dat deze vorm van omgaan met kinderen erbij hoort. Onze ouders mochten ons pijn doen, omdat zij het van hun ouders ook verdroegen, net als hun ouders en ga zo maar door. Net als wij het nu dus ook mogen. Want ‘kijk maar wat er van ons geworden is, zo slecht hebben we het er niet vanaf gebracht, we doen het hartstikke goed’. Dan hebben we het vaak vooral over maatschappelijke status en materiële zaken.

Het zou kunnen dat deze logica, naast dat we het zijn gaan geloven, reëel en waar is. Dat zou kunnen. Ware het niet dat er een scheur in deze werkelijkheid zit. Als we er zo van overtuigd zijn dat iedereen zijn jeugd kan overleven op wilskracht, waarom shockeren al die verhalen over kindermisbruik ons dan zo? Vinden we het vervelend te moeten ontdekken dat er volwassenen zijn die last hebben van toen? Vervelend dat zo ’n jongen, als uit het vorige hoofdstuk, door zijn vader zo gekleineerd werd dat hij misschien uit gebrek aan eigenwaarde crimineel werd? Vervelend dat een meisje, dat op jonge leeftijd misbruikt werd, dat zij zich ontpopte als heroïnehoertje? Vervelend dat die vrouw, op de hoek van de straat een zwervend bestaan leidt en constant voor zich uit praat, omdat zij alle klappen nooit te boven is gekomen? Vinden we dat vervelend omdat we juist met zijn allen zo stoer volhouden dat alles wat ons ooit werd aangedaan als pijn, peanuts was?
Deze mensen zijn een nagel aan onze doodskist. Zij zijn niet geboren als zwerfster, crimineel of heroïnehoertje. Zij hebben de boodschap niet kunnen accepteren dat de pijn die hun ouders hen ooit aandeden erbij hoorde. Wat wij (weer) doen is ze opgeven en veroordelen, want zij houden zich niet aan de ongeschreven afspraak dat je moet doen of je nergens last van hebt. Dat je het te allen tijde ‘moet maken in het leven, je bewijzen, niet zeuren’. Wat we doen is ons boos maken over mensen die het niet redden; geshockeerd zijn als er weer een peuter vermoord is; verbijsterd zijn, dat we nog steeds kindermisbruik niet grijpbaar kunnen krijgen. Dit alles vanwege een mooie mythe die we verzonnen om onszelf te redden van toen. Misschien moeten we nog een gebod toevoegen aan de al bestaande tien: ‘gij zult niet weten’. Zo’n gebod houd je mooi uit de wind en geeft toch alle ruimte om overal iets van te vinden.

Waarom we niets snappen van de werkelijkheid van kindermisbruik, kinderpijn en kinderangst? Waarom we niet in staat zijn hen de helpende hand te reiken en werkelijk dat verschil voor ze uit te maken?
Omdat we stuk voor stuk besloten hebben die pijn en angst van vroeger in de kast te laten. Daar hebben we collectief elkaar toestemming voor gegeven met als reden dat er overal altijd wel iets rots gebeurd. Een smoes. De meest arrogante collectieve smoes die er ooit de wereld in is geholpen. Omdat we elkaar graag wijsmaken dat we sterk genoeg zijn. Omdat we elkaar graag op de mouw spelden dat we zo vergevingsgezind zijn naar onze jeugd. Omdat we graag geloven dat het er niet toe doet. We hebben deze smoes verzonnen omdat we denken dat dit de enige leefbare weg is. Maar op een dag vallen bij iedereen de lijken uit de kast. Hoe langer ze er liggen, hoe erger ze gaan stinken. Als we even terugdenken aan ons collectieve besluit dat we zo sterk en stoer zijn, waarom moet die kast dan zo nodig potdicht blijven? Dan doet het er toch niet me meer toe? Dat is dan toch vergeven? Of lopen we onszelf, en daarmee alle jeugd die nu in het rondloopt, systematisch te belazeren?

‘Hoe ga je in vredesnaam om met de inhoud van die kast?’
Dat is de reden waarom hij dicht moet blijven. Want als die kast open gaat blijft er geen spaan heel van dat zorgvuldig genomen besluit. Elke volwassene durft te weten hoe leuk sommige jeugdherinneringen waren. De volwassene die zich zoiets terughaalt weet nog precies het gevoel dat hij/zij als kind bij deze herinnering beleefde. Daarom is die kast dicht. Want hoeveel rationele besluiten en theorieën je ook op de inhoud van die kast loslaat, zodra die open is breekt de hel los. Dan ben je weer dat kind dat niet begrijpt ‘waarom’.
Waarom moest je voor straf de kast in waar je doodsangsten uitstond en je dood eenzaam voelde? Wat kon er nou zo erg zijn dat je vader besloot je met een riem te slaan? Hoorde hij je dan niet gillen? Zag hij de angst niet in je ogen? Hij was toch veel groter dan jij? Waarom zagen pappa en mamma niet hoe bang ze je maakten als ze weer vochten en schreeuwden? Waarom kon je vader nooit iets positiefs tegen je zeggen? Waarom vond hij je een onnut, een onbenul? Wat deed je dan verkeerd? Waarom deed hij of je niet bestond? Waarom negeerde hij je emoties en lachte hij je in het ergste geval uit? Waarom lag je moeder dronken op bed, dag en nacht? Waarom moest je voor haar zorgen? Waarom zorgde zij niet voor jou? Waarom moest je haar braaksel opruimen? Waarom begreep ze niet dat je zo onmogelijk vriendinnetjes uit kon nodigen? Waarom misbruikt een vader zijn zoon seksueel? En waarom een moeder haar dochter? Waarom steekt een vader zijn pik in zijn kind? Waarom vermoorden ouders hun kinderen? Waarom?
Er zijn eindeloos pagina’s te vullen met de waarom’s die uit de kast zullen komen. Waarom’s waarop nooit een antwoord zal komen. Waarom’s op de grens van leven en dood. Zo voelt het voor een kind. Erger nog, voor velen is het werkelijkheid. De voor een kind onbegrijpelijke terreur van verzorgers. De niet te beredeneren motieven van tirannie. Als kind weet je met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat voor de misbruiker de grens van leven en dood flinterdun is. Je bent al verontschuldigingen aan het aanbieden voordat je weet wat je fout gedaan hebt. Alles heb je ervoor over om maar niet de reden te zijn voor een uitbarsting. Want wanneer is het moment daar dat de misbruiker helemaal de macht over de realiteit verliest? Dat er bloed op de keien ligt? Kinderbloed. Ja, de één kost het letterlijk het leven. De ander kijkt meerdere malen deze doodsdreiging in de ogen. De misselijkmakende angst dat het geweld van de ander jouw voortbestaan bepaalt. En elke keer ga je weer een beetje dood. Moeten we de kast dicht laten met al die vragen, al die pijn, al die angst, om degen die het aanrichtten vroeger vrij te pleiten? Om ervan af te zijn?
We doen zelf of we niet weten waar die dode peuter, die crimineel, dat heroïnehoertje en die zwerfster ontstaan. We doen zelf of we niet weten uit welke werkelijkheid ze komen. Als we dat toelaten, dan begeeft de kast het misschien wel helemaal. Eindelijk. Die bewuste kast, met al die voelbare waarom’s. Waar pijn en angst huist. Hoe kunnen we op een reële menselijke wijze iets veranderen aan kindermisbruik als we bang blijven? Bang voor onze gevoelens van vernedering van toen. Hoe je het ook wendt of keert, om misbruik grijpbaar te krijgen, moeten we besluiten die kast zelf open te gooien of hem laten bezwijken onder de verhalen van misbruikte kinderen. Eerder verandert er niets. Zolang we zelf onze vernederingen, of het nu fysiek of psychisch was, ontkennen, ontkennen we elk signaal van elk willekeurig misbruikt kind nu. Dat kunnen we dan niet aan. Dat komt ons dan niet uit. Wat hebben we dan te bieden?

‘Want vernederen is zeggen: jij mag er niet zijn zoals je bent. Een vernedering is daarom ook een executie, met daar boven op de veroordeling tot de pijnlijke krachtsinspanning bij leven en volle bewustzijn, in de vorm van herwonnen zelfrespect, je eigen lijk weer op te richten.’
(Dr. F.Denkers in ‘Een monnik over sociale integratie’)

Het is mogelijk je eigen lijk op te richten. Als kind, als volwassene. Geef de jeugd nu niet die zogenaamde waarheid mee dat lijken in de kast moeten blijven. Gooi je eigen kast open. Kijk naar de lijken die nu overal door misbruikte kinderen in de kast worden gestopt omdat wij ze dat voorbeeld geven. Durf in die angst en pijn te gaan zitten. Voel hoe waardeloos het was en accepteer dat je iets onnodigs is aangedaan. Accepteer dat je mag vinden en voelen dat het niet deugde. Wederom: als volwassene nu ga je er niet aan dood. Het maakt je menselijk en bereikbaar. Bereikbaar voor signalen en emoties. Het geeft je je begrip terug van wat een misbruikt kind nodig heeft. Omdat je weer durft te voelen wat jezelf ooit ontbrak. Waar je zelf ooit behoefte aan had. Wat jou zo schrijnend werd onthouden.

Inspireer elkaar je eigen lijk weer op te richten

Zolang het nog kan

 

 

 

                                                                                                                     
De rekening.

 

Stille tochten worden gehouden omdat er weer iemand door een agressieveling is doodgeslagen. Alom vernielingen. Vandalisme. Heroïnehoertjes. Auto-ongelukken door teveel alcohol, een harddrug overigens. Toenemende criminaliteit omdat verslavingen geld kosten. Gevangenissen vol mede dankzij een enorme hoeveelheid verkrachters en moordenaars. We regelen en denken ons suf om deze problemen op te lossen. Achteraf steken we zeeën van tijd en geld in het begrijpen van die verkrachter, die moordenaar, die verslaafde. Achteraf pretenderen we te willen weten wat iemand gedreven heeft. Achteraf zijn we bijna de nobelheid zelve, tot misselijkmakend aan toe. Want wat constateren wij? Deze misbruikers zijn in hun jeugd zelf misbruikt. Wow, wat een inzicht. We vinden weer een verklaring voor ze, weer een excuus. Wat een begrip. Waarom is die beroerde jeugd achteraf, als er al van alles en nog wat aan schade is aangericht, wel een excuus? Bevatten we de impact, de gevolgen van die jeugd, dan opeens echt? Kunnen we het dan wel snappen? Komt het echt binnen? Of is het alleen maar voor onze eigen geruststelling dat er een reden gevonden is voor waanzinnig gedrag? Waanzinnig gedrag dat wij overigens zelf gevoed hebben door juist, toen die beroerde jeugd nog gaande was, ons gezicht af te wenden.

Daklozen en zwervers, een groeiende groep mensen in ons straatbeeld. Psychiatrische inrichtingen die overvol zijn. Zo vol dat mensen de straat weer op worden gestuurd vanwege capaciteit tekort. Hulpverleningsinstanties die bedoeld zijn voor psychische zorg hebben te kampen met ellenlange wachtlijsten. Kalmeringsmiddelen en antidepressivia zijn tegenwoordig bijna standaard medicijnen geworden voor de meeste mensen. Slachtofferhulpgroepen zijn niet meer aan te slepen. Bij velen is de oorzaak weer te vinden in de jeugd. Vreemd genoeg is hier onze noodzaak om te begrijpen wat hun drijft een stuk minder. Ze zijn (nog) niet een gevaar voor de samenleving. Niet staatsgevaarlijk. En we kijken al sinds hun jeugd niet naar ze, dus nu kennen ze ook nog wel even wachten. Mocht er onverhoopt toch iemand ontsporen, dan is het vroeg genoeg om onderzoek te plegen.

Wachten tot het werkelijk misgaat. Daar zijn we goed in geworden. Pas reageren als ‘onze’ veiligheid bedreigd wordt. We wachten wel op de rekening. Een rekening die intussen de pan uitrijst. In alles. In maatschappelijke veiligheid. In het onderhouden van allerlei gesloten inrichtingen om de straat veilig te houden. In het ontwikkelen van therapieën en inschakelen van therapeuten. In hulpprogramma’s voor verslavingen. In bestrijding van criminaliteit en agressie. Kortom, allemaal geld, tijd en inspanning. Een rekening die maar blijft oplopen omdat we liever een zwijgende massa blijven. Een starende menigte, ziende blind. Blind voor volksziekte nummer 1: kindermisbruik. Een virus dat, in het slechtste geval, van generatie op generatie wordt doorgegeven. Een virus dat we zouden kunnen afzwakken door preventief te reageren in plaats van dat begripvolle gezemel achteraf of dat gemekker over maatschappelijke verloedering.
We kunnen er zelf iets in ondernemen, iets in betekenen. In elk geval de gevolgen verzachten. Vooraf. Door bij de kiem te reageren: bij misbruikte kinderen nu. Mensenrechten gelden bij mijn weten ook voor kinderen. Zolang wij ze dat gevoel en besef niet geven, wie zijn wij dan om ze straks kwalijk te nemen dat zij het ook niet zo nauw zullen nemen met diezelfde mensenrechten?
Dan zeggen zij toch, net als wij nu: Wir haben es nicht gewusst?

 

R.I.P.

 

Hoera, ik ben misbruikt.
Ja, het heeft me geraakt. Diep geraakt.
Ik leef dagelijks in volslagen verbijstering vanwege dingen die ik om me heen zie gebeuren. Alles waarover iedereen beweert met de handen in het haar te zitten.

Misbruikten die misbruikers worden.
Misbruikten die naar de knoppen gaan.
Misbruikers die ongestoord hun gang kunnen gaan.
Misbruikers die achteraf allerlei zorg, hulp en begrip krijgen.
Misbruikten die eigenlijk hun kop moeten houden, omdat we ze niet willen horen.

Peter Z. Malkin schreef in ‘Eichmann in my hands’:
‘Evil does not exist in isolation.
It’s a product of amorality by consensus.’

Waarschijnlijk ontbreekt ons de moed tot handelen.
En wellicht blijft dit eeuwig zo.
Misschien moeten we wel eerst een massa gefrustreerde volwassenen kweken voor we ons ook persoonlijk misbruikt voelen.
Tot die tijd kunnen we ons in elk geval veilig koesteren aan de gedacht:

 

HOERA, ZIJ ZIJN MISBRUIKT,

EN…….

HET HEEFT ONS GELUKKIG NIET GERAAKT!

 

Dus misbruikte kinderen:

Rest In Peace

 

 

 

 

 

 

 

Haat en liefde
Als een vulkaan binnenin
Niet weten
Hoe het naar buiten te brengen

De angst voor het ontploffen
Al wetende
Dat je krankzinnig wordt
Als je niet praat

 

 

 

 

Donkere mist
Vult de holten
Doodt de wil
En eindigt het leven

 

 

 

 

 

Copyright © 2002:                 Martine Rademaker

 

Alle rechten uitdrukkelijk voorbehouden